Dutch Survival Cheat Sheet (A1–A2)
Rule
Pattern
Example
Basic sentence
Subject + verb + rest
Ik werk vandaag
V2 rule
[slot1] + VERB + subject + rest
Vandaag werk ik thuis
Time–Manner–Place
Subject + verb + time + manner + place
Ik ga morgen met de trein naar Amsterdam
Modal verbs
Subject + modal + rest + infinitive
Ik wil morgen werken
Subordinate clause
conjunction + subject + rest + VERB
Omdat ik moe ben, ga ik naar huis
Type
Pattern
Example
Yes / No
VERB + subject + rest
Ga je naar huis?
WH-question
question + verb + subject
Waar woon je?
Rule
Pattern
Example
geen
used with nouns
Ik heb geen geld
niet
verbs / adjectives / whole sentence
Ik werk niet vandaag
Verb
Meaning
ik
jij / je
hij / zij / het
wij / we
jullie
zij
kunnen
can / able
kan
kunt / kan
kan
kunnen
kunnen
kunnen
moeten
must
moet
moet
moet
moeten
moeten
moeten
mogen
may / allowed
mag
mag
mag
mogen
mogen
mogen
willen
want
wil
wil / wilt
wil
willen
willen
willen
zullen
will
zal
zult / zal
zal
zullen
zullen
zullen
Pattern
subject + modal + rest + infinitive
Examples
Ik wil morgen werken
Wij moeten vroeg vertrekken
Pattern
conjunction + subject + rest + VERB
Trigger
Meaning
Example
omdat
because
Ik blijf thuis omdat ik moe ben
als
if / when
Als het regent, blijf ik thuis
wanneer
when
Wanneer hij komt, beginnen we
dat
that
Ik denk dat hij komt
voordat
before
Voordat ik ga slapen
nadat
after
Nadat we eten
terwijl
while
Terwijl ik werk
Personal & Possessive Forms
Subject
Possessive (before noun)
Possessive (standalone)
Example
ik
mijn
van mij
mijn huis / Het huis is van mij
jij / je
jouw / je
van jou
jouw fiets / De fiets is van jou
hij
zijn
van hem
zijn auto / De auto is van hem
zij
haar
van haar
haar tas / De tas is van haar
wij / we
onze
van ons
onze straat / De straat is van ons
jullie
jullie
van jullie
jullie huis / Het huis is van jullie
zij
hun
van hen
hun trein / De trein is van hen
Prepositions are followed by a noun phrase .
Example:
in de winkel
op het station
Preposition
Example
om
om negen uur
op
op maandag
in
in juli
na
na het werk
voor
voor het eten
Preposition
Example
in
in de winkel
op
op de tafel
bij
bij het station
naast
naast de deur
tussen
tussen de huizen
Preposition
Example
naar
Ik ga naar huis
van
Ik kom van werk
uit
Ik kom uit Nederland
door
We lopen door het park
over
We lopen over de brug
Expression
Meaning
Example
wachten op
wait for
Ik wacht op de bus
denken aan
think about
Ik denk aan jou
praten met
talk with
Ik praat met mijn collega
kijken naar
look at
Ik kijk naar de film
Extra Useful Patterns
Ik probeer Nederlands te leren
Er is een probleem
Er zijn veel mensen
Ik ga morgen werken
Verb
Meaning
Example
opstaan
get up
Ik sta om zeven uur op
instappen
get in
Wij stappen in de trein
aankomen
arrive
De trein komt om negen uur aan